Het gebeurde een maand geleden.
In mijn hoofd leek het alsof het gisteren voorviel.
Een harde klop op de deur.
‘Linde! Je moet direct komen! Linde? Ben je daar?’
Geschrokken keek ik naar Bas die nog boven op me lag.
‘Ik kom!’ riep ik. ‘Momentje!’
Bas knipoogde naar me.
‘Straks kom ik je terughalen. Je hebt nog iets van me tegoed.’
Zwetend en met een kop zo rood als een tomaat vluchtte ik de kamer uit. Hoe kon ik zo stom zijn om er terug in te trappen?
Wat als iemand ons had gezien? Of gehoord?
Ik mocht er niet aan denken.
‘Ha. Daar ben je eindelijk. Er scheelt iets met de vrouw uit verloskamer twee.’
De stem van de hoofdverpleegster sneed door merg en been.
‘Haar vliezen zijn net spontaan gebroken en het bed ligt vol dieprood bloed. De harttonen van de baby vallen weg.’
Mijn maag keerde om. Bloed? Bij vier centimeter ontsluiting? Terwijl ik met Bas tussen de lakens lag, was er hier een ramp gebeurd.
Ik duwde de deur open en stapte binnen.
Daar lag ze. Het laken onder haar was doordrenkt met een angstaanjagende, felrode plas. De monitor piepte in een traag, monotoon ritme... Het geluid van een stervend babyhartje...
Ze kermde van de pijn en keek me aan met wanhopige ogen.
‘Mijn kindje!’ schreeuwde ze. ‘Red mijn kindje!’
‘Ik zal er alles aan doen om jullie beiden te redden. Blijf vooral kalm, mevrouw.’
Mijn stem trilde. Ik zette de kraan van het infuus wagenwijd open.
Bas stormde de kamer binnen. Zijn haren stonden nog in de war.
‘Update!’ schreeuwde hij.
‘Vliezen gebroken, massaal bloedverlies, de harttonen zijn bijna weg!’ riep ik, terwijl ik bliksemsnel toucheerde. Tot mijn verbazing voelde ik geen baarmoedermond meer. Door de shock en de adrenaline was ze in een mum van tijd naar volledige ontsluiting geschoten.
‘Red mijn kindje,’ fluisterde ze nogmaals.
‘Ik zie het hoofdje, dokter. Het hoofdje is er al,’ zei ik in paniek.
Bas knipoogde naar me, alsof we nog steeds een nummertje opvoerden tussen de verse lakens en de dozen melkpoeder. Ik walgde van zijn knipoog. Zag hij dan niet wat hier gebeurde?
‘Waar blijft de pediater, godverdomme!’ schreeuwde hij.
Ik schrok. Zo had ik Bas nog nooit horen roepen.
‘Hier ben ik, lieverd. Geen paniek. Ik ben er.’
Bas keek zijn vrouw geërgerd aan en duwde me opzij.
‘Ik ga eventjes kijken, mevrouw. Blijf vooral kalm. Als ik het zeg, mag je persen.’
Ik nam de hand van de vrouw en vroeg of ik iemand kon bellen.
Er was niemand.
Ze huilde dikke tranen.
‘Red mijn kindje,’ fluisterde ze nogmaals. ‘Dit is het enige wat ik nog van hem heb.’
Ik schrok. Het schuldgevoel brandde als maagzuur in mijn keel. Als ik in de kamer was gebleven... Wat als ik Bas niet was gevolgd als een loopse teef? Ik walgde van mezelf.
‘Duwen!’ riep Bas.
De vrouw duwde met de krachten die ze nog in zich had.
‘Dit kan beter. Duwen!’ riep hij nogmaals.
De vrouw keek me wanhopig aan.
‘Ik duw!’ riep ze. ‘Ik duw...’
Bas zuchtte.
‘Mevrouw... Kijk me aan... Kin op de borst. En... duwen...’
En toen klonk een oerkreet.
‘Nog één keer. Nog één keer persen en dan kan je je baby in je armen houden. Je doet het zeer goed,’ sprak ik haar geruststellend toe.
‘Persen!’ riep Bas.
En toen nog een oerkreet.
Bas legde de baby op haar buik en knipte de navelstreng door.
Ik zag direct dat het goed fout zat. Er was geen gehuil. Geen beweging. De baby die op de buik van de moeder werd gelegd, was niet roze of blauwachtig, zoals normaal. Het kindje was wit. Spierwit, als een marmeren beeldje. Er zat geen druppel bloed meer in hem. Waarom was hij dan zo perfect? Het was een pracht van een kindje.
Bas nam de baby en gaf die aan zijn vrouw.
‘Waar gaat ze heen met mijn baby?’ vroeg de vrouw in paniek.
‘Ze gaan hem even checken,’ zei ik, terwijl ik wist dat het een leugen was.
De vrouw huilde.
Ik trilde op mijn benen en keek naar Ilse die hartmassage toediende op het kleine lijfje. Haar vingers duwden ritmisch op het sneeuwwitte, levenloze borstkastje.
‘Komaan, kleintje.’
Verontrustend keek ik naar Bas.
Hij keek van me weg. Zijn professionele masker vertoonde scheuren. Hij wist net zo goed als ik dat reanimatie zinloos was.
De vrouw huilde.
Ik zag alles in slowmotion gebeuren.
Ik kon het niet bevatten.
‘Linde... De mevrouw in onderzoekskamer drie heeft acht centimeter ontsluiting. Kan je even komen kijken?’
Ik keek verontschuldigend naar de vrouw die wanhopig naar Ilse en Bas staarde en liet haar hand los.
‘Ze gaan goed voor jullie zorgen,’ fluisterde ik.
Ik liep de kamer uit.
De tranen prikten achter mijn ogen.
‘Ik kom direct,’ zei ik tegen de verpleegster.
In de voorraadkamer zakte ik op de grond.
Ik huilde dikke tranen.
Wat als...?
‘Linde? Kom je?’
‘Ja...’
Ik keek in het kleine spiegeltje boven de wastafel en veegde mijn tranen weg. Voor verloskamer drie bleef ik een tel staan. Ik haalde diep adem en duwde de deur open.
‘Daar ben je eindelijk.’
Ik keek Bas scherp aan.
‘Duwen!’ riep hij.
En daar klonk het geschreeuw van de baby.
Ik haalde opgelucht adem.
De kersverse ouders keken naar het meisje op de borst van de vrouw.
‘Ze lijkt op jou, schat,’ zei de man liefdevol.
Ik moest het beamen. Ze leek als twee druppels water op haar mama.
‘Heb jij kinderen?’ vroeg de vrouw.
‘Nee. Nog niet,’ zei ik met een krop in mijn keel. ‘Geniet van jullie kleintje. Ze worden zo vlug groot.’
Ik vluchtte de kamer uit.
Op een van de bedden in de wachtkamer zakte ik in elkaar.
Van intens verdriet naar intens geluk in een kwartier tijd.
‘Gaat het?’
Ik schrok.
‘Sorry. Ik wist niet dat je aan het rusten was,’ zei ik verontschuldigend.
Mieke zette zich recht en keek me vragend aan.
‘Doodgeboorte,’ fluisterde ik. Het woord sneed door de ruimte.
‘Dit went nooit,’ zei ze. ‘Ik neem het wel eventjes van je over.’
Ik kroop onder de lakens en viel als een blok in slaap.
Ineens voelde ik een hand langs mijn borst strelen.
Ik schrok en duwde zijn hand weg.
‘Je had nog iets van me tegoed,’ zei Bas met een knipoog.
Ik keek hem met grote ogen aan.
‘Bas... Niet nu...’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik zei: niet nu.’
‘Kom op, Linde. Straks moet ik naar huis.’
‘Nogmaals... niet nu!’
Ik zette me recht en deed mijn schoenen aan.
‘Ik ga werken. Tot morgen.’
Bas keek me beteuterd na.
In de deuropening van kamer 202 bleef ik een tel staan.
De gordijnen waren gesloten. De schemering drukte op mijn schouders.
Geen vrolijkheid hier. Geen ballonnen. Geen bloemen. Geen familie op bezoek. Alleen zij. Op haar zijde, met haar rug naar de deur gekeerd. Kijkend in de leegte.
‘Gaat het een beetje?’ fluisterde ik.
Ze bewoog niet.
Ze staarde voor zich uit.
Ze klemde een versleten teddybeer tegen haar borst.
Voorzichtig deed ik een stap in de richting van het bed. De vloer onder mijn voeten voelde als drijfzand.
‘Kan ik iets voor je doen?’
‘Me alleen laten,’ zei ze, haar stem schor en ijskoud.
Ik wilde me omdraaien. Ik wilde vluchten voor de loodzware deken van verdriet die in de kamer hing. Het lukte me niet. Mijn voeten zaten vast.
Ik wist waarom ze die teddybeer zo stevig tegen zich aandrukte. Toen ze werd opgenomen, lag de knuffel bovenaan in haar bagage. Ze had me verteld dat hij van haar vriend was. Hij was vier maanden geleden omgekomen bij een verkeersongeval. Ze was toen vijf maanden zwanger.
‘Dit kindje houdt me recht,’ had ze gezegd terwijl ze liefdevol over haar buik streek. ‘Zolang ik hem voel bewegen, voelt het alsof zijn papa nog een beetje bij me is.’
En nu lag ze hier. Geen kind. Alleen de versleten teddybeer...
Ze draaide zich langzaam naar me toe. Haar ogen waren rood omrand, rood van de rouw en de woede...
‘Waar was je?’ vroeg ze vlijmscherp. ‘Je was weg. Je zei dat je even wegliep, maar je kwam niet terug. Als je er was geweest... Als je de monitor in de gaten had gehouden, dan... dan had ik nu mijn kindje in mijn armen.’
Ze had gelijk.
Ik slikte. Mijn keel was kurkdroog. Haar woorden sloegen de adem uit mijn longen. Het voelde alsof ze dwars door me heen keek, alsof ze het wist van de kamer met de dozen melkpoeder en verse lakens. Van Bas...
‘Mevrouw, ik...’ begon ik. ‘Het was onvermijdelijk...’
Alles wat ik zei, voelde als een goedkoop excuus. Wat maken medische termen uit voor een mama met een lege schoot?
‘Dit was het enige wat ik nog van hem had,’ riep ze. De woede maakte plotseling plaats voor een hartverscheurend snikken. Ze drukte de teddybeer strak tegen haar borst.
‘Hoor je me? Het enige! Mijn vriend is er niet meer, en nu mijn baby ook niet. Ga weg! Alstublieft... Ga weg...’
Haar laatste woorden eindigden in een oerkreet van verdriet, die angstaanjagend leek op de laatste kreet in de bevallingskamer.
Verslagen deed ik een stap achteruit. Mijn hand trilde toen ik de klink vastpakte. Ik liep de kamer uit, de gang op. Het felle tl-licht verblindde me genadeloos.
En nu?
Ik leunde tegen de muur om niet door mijn knieën te gaan.
‘Gaat het?’
‘Nee,’ fluisterde ik.
‘Kom eens even mee naar mijn bureau.’
Daar stortte ik in.
‘Ik was aan het slapen,’ loog ik. ‘Waarom was ik aan het slapen? Indien...’
‘Er is geen indien. En er is ook geen wat als... Dit was geen medische fout. Dit was het lot...’
Verdrietig keek ik naar het diensthoofd.
‘Maar...’
‘Er is geen maar, Linde. Je shift zit erop voor vandaag. Ik neem de overdracht wel van je over. Ga naar huis.’
Een kwartier later zat ik op mijn fiets.
De zon kwam net piepen. De hemel kleurde roze. Mijn lievelingskleur...
Ik kon er niet van genieten.
Wat als? ...
Het was stil in huis. Na een nachtshift kon ik hiervan genieten, maar niet vandaag. Hoe had ik zo stom kunnen zijn?
Zuchtend nam ik mijn telefoon. Ik had nood aan een babbel.
‘Hallo. Scheelt er iets?’ hoorde ik.
Ik brak volledig.
‘Linde? Wat is er aan de hand?’
Ik kon geen woord uitbrengen.
‘Linde... Neem je tijd. Vertel me rustig wat er is gebeurd.’
‘Lore... Ik ben zo stom geweest.’
In horten en stoten vertelde ik alles.
Lore luisterde. Ze onderbrak me geen enkele keer.
‘Wat als?’ fluisterde ik.
‘Dit mag je je niet afvragen. Het is niet jouw schuld.’
‘Wat als ik bij haar was gebleven in plaats van met Bas...’
Ik stopte.
Bas...
‘Je weet hoe ik over hem denk. Die discussie gaan we niet meer voeren. Gevoelens kan je niet zomaar opzij schuiven.’
‘Het moet nu stoppen, Lore. Het moet echt stoppen. Ik kan het niet meer. Ik voel me vies. Gebruikt. En... Ik voel me schuldig tegenover Ilse. Ze is een schat van een vrouw. Dit verdient ze niet.’
‘Linde... Je weet dat je hier altijd welkom bent.’
‘Dat weet ik. Dank je! Ik zal proberen wat te slapen. Ik heb terug de late shift.’
‘Hou je goed, meid. Bel me als er iets is. Dag en nacht...’
‘Dank je...’
Twintig minuten later lag ik naar het plafond te staren.
Ik zuchtte.
Lore had makkelijk praten.
Hoe kon ik me van hem losmaken?
Hoe kon ik hem vergeten als hij elke dag dezelfde gangen doorkruiste?
En... Hoe kon ik straks op het werk verschijnen en er terug invliegen met het schuldgevoel dat me gek maakte?
Ik sloot mijn ogen en viel in het niets.
De dagen erna sleepten zich voort. Ik werkte, ik sliep, ik ademde, ik werd gek. Elke baby die huilde, elke moeder die haar kind tegen zich aandrukte, elke vader die zijn tranen wegveegde… het sneed door me heen als een mes dat ik niet kon ontwijken.
En Bas…
Bas bleef doen alsof er niets was gebeurd. Alsof mijn lichaam nog steeds een plek was waar hij zomaar binnen kon vallen. Alsof ik geen grenzen had, geen verdriet, geen breuklijn die door me heen liep.
Ik voelde me leeg, alsof iemand mijn ribbenkast had opengebroken en iets had weggenomen dat nooit meer terug zou komen.
Op een ochtend stond ik in de fietsenstalling. De regen kletterde met een oorverdovend kabaal op het dak boven mijn hoofd. Ik wist het ineens.
Hier kon ik niet blijven.
Niet nog een dag.
Ik moest hier weg.
Weg van het ziekenhuis.
Weg van de gangen waar ik had gehuild.
Weg van alles wat me tegenhield om terug tot mezelf te komen.
Weg van het verdriet.
Weg van de geveinsde vrolijkheid.
Weg van Bas...
Tien minuten later zat ik snikkend in het kantoor van mijn diensthoofd.
‘Ik moet er eventjes uit. Ik hou dit niet meer vol. Ik ben op,’ snikte ik.
Eerst schudde ze haar hoofd. Ze keek me bezorgd aan.
‘Weet je het zeker, Linde? Ik kan je een paar dagen vrijaf geven.’
‘Ik vrees dat een paar dagen niet genoeg zijn. Ik moet echt weg van hier. Van het ziekenhuis, van de afdeling, van de druk, van hier.’
‘Ik begrijp je. De personeelsdienst zal de documenten voor je opmaken. Mag ik je vragen of je nog terugkomt?’
‘Ik weet het niet.’
‘Linde... Als Bas het probleem is...’
Ik schrok.
‘Maak je geen zorgen. Dit gesprek blijft tussen ons. Hetzelfde gesprek voerde ik trouwens een paar maanden geleden met een ex-collega. Ik hoop dat ik niet al mijn goede werkkrachten verlies, omdat meneer zijn handen niet kan thuishouden.’
Ze zuchtte.
Ik keek van haar weg. Een ex-collega? Mijn God! Veerle... Zij was enkele maanden terug halsoverkop vertrokken. Toen waren de avances van Bas begonnen. Hoe stom had ik kunnen zijn?
‘We zien wel,’ zei ik na een poosje. ‘Ik denk dat ik voor een tijdje bij een vriendin aan zee ga logeren. Andere lucht, andere omgeving, andere mensen. Ik snak naar rust.’
‘Linde... Ik wens je het allerbeste en hopelijk tot gauw.’
‘Mag ik nog iets vragen?’
‘Natuurlijk...’
‘Die ex-collega... Hier gaat het toch om Veerle?’
‘Daar kan ik geen antwoord op geven, Linde, want ons gesprek was vertrouwelijk, net als het gesprek dat wij nu aan het voeren zijn.’
‘Naar mijn weten is er maar één collega vertrokken dit jaar.’
Ze glimlachte.
‘Bedankt dat je me begrijpt en bedankt dat je me wilt laten gaan.’
‘Je beseft niet hoe goed ik je begrijp. Sommigen hakken knopen door en anderen blijven op hun vertrouwde plekje zitten.’
Ze lachte flauwtjes.
Ik liet haar woorden tot me doordringen. Nee... Zij ook? Ik keek haar verontschuldigend aan.
‘Nu... Ik hoop dat je gauw een vervanger voor me vindt en ik wens je veel sterkte met alles.’
‘Dank je,’ zei ze flauwtjes.
Opgelucht verliet ik haar kantoor. Ik haalde mijn kastje leeg en net toen ik wilde vertrekken, kwam Bas binnen.
‘Waar was je? Ik heb je overal gezocht.’
Hij kwam dichterbij. Zijn ogen boorden zich in de mijne.
‘Ik moest nog iets regelen.’
‘Iets regelen?’
‘Ja, Bas. Iets met personeelszaken.’
Bas keek me vragend aan.
‘Ik neem een tijdje verlof. Het zal me goed doen.’
‘Linde... Die doodgeboorte... Ben je daar nog steeds mee bezig? Uit de autopsie bleek dat we geen enkele fout hebben gemaakt. Het kindje was niet levensvatbaar.’
‘Het was een totale placentaruptuur, Bas. Weet je wel hoe zeldzaam dat is?’
Mijn stem stokte. De tranen kwamen.
‘De onbeschermde bloedvaten liepen pal voor de baarmoedermond. Toen de vliezen braken, scheurden ze open. Het kindje is in minder dan vier minuten volledig leeggebloed in de baarmoeder. Het was marmerwit toen het ter wereld kwam. Er zat geen druppel bloed meer in,’ zei Bas alsof hij een van zijn cursussen van de unief had bovengehaald. ‘Linde, luister naar me,’ sprak hij bevelend. ‘Zoiets zie je alleen op een geavanceerde echografie, niet tijdens een normale controle in de praktijk. Het was een tikkende tijdbom. Je kon het niet zien. Je kon het niet weten.’
‘Ik had niet weg mogen lopen,’ snikte ik, terwijl de herinnering als een loden last op mijn borst drukte. ‘Ze had pas vier centimeter ontsluiting. De weeën waren krachtig, maar stabiel. Ik zei dat ik even een bak koffie ging halen om haar wat privacy te gunnen. Ik was tien minuten weg toen haar vliezen braken. Als ik was gebleven, als ik...’
Ik keek hem vernietigend aan.
‘Dan had je nóg niets kunnen doen,’ onderbrak Bas me resoluut. ‘Vier minuten, Linde. Tegen de tijd dat je de harttonen had horen wegvallen en we een spoedkeizersnede hadden opgestart, was het al te laat geweest. Zelfs op de operatietafel hadden we dit kindje niet kunnen redden.’
Ik zuchtte.
‘Linde?’
‘Zoals ik reeds zei, neem ik een tijdje verlof. Ik moet er eventjes uit, Bas. Weg van de afdeling. Weg van het ziekenhuis. Weg van jou...’
Hij schrok.
‘Weg van mij? Maar... We hebben het toch leuk samen?’
Hij stapte naar voren en streelde mijn wang.
Ik deed een stap opzij.
‘Leuk? Is dit hoe je het omschrijft? Leuk? Voor mij voelt dit totaal anders. Ik voel walging. Ik voel me vies. En bovenal... Ik voel me schuldig.’
Hij trok een wenkbrauw op.
‘Schuldig?’
Ik zuchtte.
‘Ik moet nu gaan, Bas.’
‘Hoe lang blijf je weg?’
‘Ik weet het niet.’
‘Hoe bedoel je?’
Ik trok de deur achter me dicht.
‘Linde...’ hoorde ik nog toen de liftdeuren sloten.
Kom maar af.
Ik kijk er zo naar uit.
Glimlachend keek ik naar haar bericht.
Ik pakte mijn koffer in en checkte wanneer ik een trein had.
Het was veel te lang geleden dat ik Lore nog had gezien. De jeugdvriendin die altijd zei dat de zee kon wegspoelen wat te zwaar was om te dragen.
Ik hoopte dat ze gelijk had.
Een uur later stond ik aan het station met een tas die te licht was voor het gewicht dat ik droeg.
De trein reed langzaam door het landschap, langs stille velden, langs dorpen waarvan ik de naam niet eens wist.
Ik sloot mijn ogen.
De trein schokte zacht.
Straks zou ik wakker worden in een andere wereld. In een wereld waar ik terug aan mezelf kon denken. In een wereld waar hij niet zou bestaan. Niet meer. In die wereld was geen plaats voor Bas.
...
En dit is nog maar het begin...
Wil je weten wat er met Linde gebeurt en hoe haar verhaal verbonden raakt met Myrthe?
BESTEL MYRTHE IN VOORVERKOOP