Aan de kust is het volop seizoen.
Je ziet het aan alles: de overvolle parkings, de valiezenkoers, kinderen die racen op gocarts, files bij de bakker en aan de kassa’s,...
Mensen komen hier toe met hun bagage, hun kroost, hun vermoeidheid van een jaar lang werken.
Ze willen genieten. En soms willen ze dat iets te hard.
Dan wordt de zee te koud.
Het zand te ambetant tussen de tenen.
De honden op het strand een probleem, maar het afval dat achterblijft na een zonnige dag blijkbaar niet.
Een gemeentewerker mag niet maaien, te veel lawaai. Maar als het onkruid te hoog staat, is het ook niet goed.
Een evenement mag, maar liefst zonder muziek, zonder knallen, zonder mensen die te luid lachen.
Verdraagzaamheid lijkt soms een luxe geworden.
En dan zijn er nog de discussies op sociale media. Daar lijkt iedereen plots expert te zijn in hoe een ander moet leven.
Ik las dat een kind niet alleen met een hond mocht wandelen.
Waar was de volwassene, vroeg iemand op Facebook toen de moeder een foto postte van de man die haar kinderen had uitgescholden. De mama reageerde dat haar kinderen al jaren hetzelfde toertje doen met de hond. Ze kennen de weg, de omgeving, de hond...
Wie zijn die mensen die zich moeien met hoe een ander zijn kinderen opvoedt? Of nog beter... Wie zijn degenen die opmerkingen maken over andermans kinderen, maar nooit kijken naar wat hun eigen kroost doet?
En dan denk ik terug aan mijn eigen zonen.
Toen ze klein waren, zagen ze het strand en de dijk als hun tuin.
Ze bouwden zandkastelen in de zomer en sneeuwmannen op de golfbreker in de winter.
Ze wachtten tot de zee alles wegspoelde, alsof dat een ritueel was dat bij het leven hoorde.
In de winter konden ze fietsen, ravotten, zingen, roepen, geen meeuw die zich eraan stoorde.
Ze liepen alleen naar de bakker, of ’s avonds naar de nachtwinkel voor een ijsje.
Iedereen kende hen.
Iedereen wist waar ze woonden.
Maar in de zomer hield ik hun touwen strakker.
Ik vertelde hen over de gevaren van de zee, over waar ze mochten zwemmen en waar niet, dat ze niet op de golfbreker mochten lopen bij hoog water, dat ze geen te diepe putten mochten graven, ook al deden de anderen dit wel, over de massa die zou toekomen, over mama die meer moest werken en dat ze daarom naar de vakantieschool moesten, dat ze als beloning meemochten met de boot van de redders in het weekend als ze braaf waren, of op de ladder mochten zitten.
Op mijn vrije dagen ontvluchtten we de dijk en het strand.
We gingen naar Plopsaland wanneer het mooi weer was. We hadden een abonnement. We schoven nergens aan. We gingen om te ravotten bij de fonteinen.
Ik zat op een bankje met handdoeken, koekjes en drankjes, terwijl zij speelden op het ritme van het water.
Aan het einde van de dag kozen ze één attractie uit.
En daarna een ijsje op de dijk, bij Leo.
Tot die ene avond...
Een clown die een show gaf schuin tegenover het terras, riep hen bij zich.
Twee wenende jongens kwamen naar me toegelopen, totaal in paniek.
Mijn haren kwamen recht.
Leo riep: 'Ma petite Charlotte… reste calme.'
Kalm blijven?
Kom aan mijn kinderen, en de leeuw in mij ontwaakt.
Ik wachtte tot zijn act gedaan was en stapte op hem af.
Hij zei dat mijn kinderen te luid waren geweest op het strand. Dat ze hem stoorden.
Ik zei dat ik dat begreep, maar dat er andere manieren zijn om dat aan een kind uit te leggen.
Hij vroeg spottend waar ik was op het moment dat het gebeurde. Wat voor moeder ik was.
Ik wees naar het terras waar ik zat.
Hij werd bleek.
Ik zette één stap naar voren. Hij zette onbewust een stap achteruit.
Mijn oudste zoon trok aan mijn kleed. Mijn jongste fluisterde: ‘Neen, mama. Niet doen.’
Ik zei: ‘Je moet begrijpen dat dit hier hun tuin is. Wij wonen hier. Mijn kinderen kennen hier de weg. Iedereen kent hen. Als je nog eens zoiets doet met mijn zonen of met andere kinderen, dan pak ik uw rode neus en stop ze waar de zon nooit schijnt. Begrepen?’
Achteraf kregen de jongens van Leo een ijsje en ik een glas wijn om te bekomen.
De volgende dag gingen we naar het strand.
De golven spoelden de perikelen van de avond ervoor weg.
En toen kwam diezelfde clown naast ons liggen op een luchtmatras.
Hij knikte vriendelijk en vroeg of de jongens zin hadden om met hem te spelen in zee.
Vijf minuten later waren ze aan het ravotten in de vloedlijn.
Hij, zonder rode neus.
Zonder drama.
Gewoon een mens, die misschien een slechte dag had gehad.
En misschien is dat het hele punt.
Misschien hebben al die zeurpieten op sociale media een slechte dag.
Misschien zijn hun tenen lang omdat hun hoofd vol zit.
Misschien vergeten we soms dat verdraagzaamheid begint bij het besef dat iedereen iets meedraagt: vermoeidheid, zorgen, verwachtingen, teleurstellingen.
Misschien moeten we elkaar gewoon wat meer ruimte geven.
Zoals de zee dat doet.
De zee vraagt niet wie je bent of waar je vandaan komt. Ze ontvangt iedereen zonder oordeel.
Misschien zouden wij dat ook wat vaker mogen doen.