Er wordt een uitspraak aan Chesterton toegeschreven: ‘Sprookjes vertellen kinderen niet dat draken bestaan. Kinderen weten dat al. Sprookjes vertellen hen dat draken verslagen kunnen worden.’
Ik heb draken nooit gezien als monsters uit oude verhalen. Voor mij zijn draken mensen: de zachte, de zoekende, de gekwetste, de minder goede, en ja... ook de gevaarlijke. De mensen die licht brengen, en de mensen die vuur spuwen. De mensen die helen, en de mensen die verwonden. De mensen die macht dragen, en de mensen die macht misbruiken.
Kinderen weten dat. Ze voelen het instinctief. Nog voor ze woorden hebben, herkennen ze de goede draken: de mensen die hen beschermen, die hen iets leren, die hen laten groeien. En ze herkennen de andere: de draken die hen klein willen houden, die hen bang proberen te maken, die hen dwingen hun stem te verliezen.
Wij dragen onze eigen draken mee. De mensen die ons gevormd hebben. De mensen die ons gekwetst hebben. De mensen die ons hebben laten zien hoe sterk we eigenlijk zijn.
Soms komen er draken op het toneel die groter lijken dan wijzelf: figuren met macht, met autoriteit, met een stem die luider klinkt dan de onze. Maar zelfs dan fluistert onze intuïtie dat er iets niet klopt. Dat is het innerlijke weten dat Chesterton bedoelde: het besef dat draken bestaan, maar dat ze niet almachtig zijn.
Ik schrijf dit omdat ik geloof dat verhalen licht brengen. Omdat ik geloof dat kinderen en volwassenen recht hebben op hun intuïtie. Omdat ik geloof dat we onze eigen draken mogen herkennen, zonder ze te demoniseren. Omdat ik geloof dat wat sommige draken ons probeerden af te leren ontzettend belangrijk is, misschien wel het belangrijkste: ‘Luisteren naar je gevoel, zonder bang te zijn dat iemand je gek noemt.’
We kunnen slechte draken verslaan.
Niet met vuur, maar met helderheid, met intuïtie, met waarheid en met het licht dat we in ons dragen.